woensdag, maart 11, 2015

Over de naam van paardenkastanje en linde

Over paardenkastanje, de bomen staan er nu bloot maar stevig bij, de bodybuilder onder de bomen.. Zonder bladeren zien bomen er naar mijn gevoel, echter en eerlijker uit.  De naam kastanje is wat vreemd voor deze boom, want botanisch gezien is het geen echte Castanea, daarom wordt hij ook wel wilde kastanje genoemd. Wij hebben het woord kastanje reeds lang geleden ontleend aan het Frans. Daar luidde het castagne, in het hedendaagse Frans châtaigne. Castagne gaat weer terug op het Latijnse castanea en waarschijnlijk is dit oorspronkelijk de plaatsnaam Castanea in Klein-Azië of Castana in Griekenland.

Oorspronkelijk is kastanje de naam voor Castanea sativa uit de beukenfamilie; deze boom is in Europa niet inheems, maar werd in de 5de eeuw vanuit Perzië ingevoerd en gedijde ook in de Lage Landen op kalkarme droge grond goed. De tamme kastanje is dus botanisch gezien niet verwant met de Paardenkastanje (Aesculus hippocastanum), die inheems is in Noord-Griekenland en Albanië, maar vanaf de 17de eeuw in de Lage Landen overvloedig is aangeplant. De paardenkastanje heet zo naar de vruchten die enigszins lijken op die van de tamme kastanje; het eerste lid paard is een vertaling van hippo- ‘paard’ in de Latijnse naam. Voor dat paard is geen bevredigende verklaring, mogelijk wordt er verwezen naar de geneeskrachtige werking die deze vruchten hadden bij bepaalde paardenziekten. Dodonaeus schrijft ‘De vreemde kastanjes zijn zeer goed om de dampige en hoestende paarden te helpen en te genezen en daarom zijn ze paarden kastanjes of ros kastanjes genoemd’.

Een heel andere boom is de linde. Soepel, teer, sierlijk. Mogelijk komt daar het woord linde vandaan. Daar de buigzame bast van de linde voor vlechtwerk en banden gebruikt werd, kan men het woord verbinden met nhd. lind, gelinde ‘zacht, toegevendʼ, os. līði, oe. līðe ‘zacht, mildʼ (ne. lithe ‘buigzaamʼ), nnoorw. linn ‘buigzaam, zachtʼ (vgl. lintworm), verder lat. lentus ‘buigzaam, taai; langzaamʼ

 Dodonaeus 1554 zegt: De gewone lindeboom, dat is het wijfje van de linde, wordt ook groot en dik en met zijn lange takken breidt hij zich zeer wijd en breed uit en maakt een grote en brede schaduw als de zon schijnt. Zijn schorsen zijn van buiten bruinachtig, effen en kaal en naast het hout wit, vochtig en taai die zich laten buigen, vouwen en verwerken in alle manieren en daarom worden daarvan de basten gemaakt waarvan men koorden en zwepen draait. Het hout is witachtig, effen en zonder knoesten en zeer zacht en daarom worden ook daar de kolen van gebrand die men voor het buspoeder gebruikt. 






Geen opmerkingen: