woensdag, februari 07, 2018

Lezen over wandelen.

Frédéric Gros doceert filosofie aan de universiteit van Parijs en is de auteur van ‘Wandelen. Een filosofische gids’ (‘Marcher. Une philosophie’). 

Voor Frédéric Gros is wandelen alvast geen sport. Wandelen is het tegendeel van prestatiegericht lopen. Wandelen koestert traagheid en eentonigheid, het zoekt de eenzaamheid op, bevordert de dialoog tussen lichaam en ziel, en confronteert ons met onze eigen nietigheid en met de eeuwigheid van het landschap. Het is een daad van vrijheid, meer zelfs, van rebellie. Fréderic Gros lijkt gefascineerd door wandelaars die afstand doen van bijna alles en dat tot het extreme doordrijven, zoals de lung gompo, de boeddhistische monnik die in trance door het landschap scheurt. Hier zijn we natuurlijk ver uit de buurt van de zondagswandelaar die ter ontspanning een uurtje of twee de benen strekt.

Frédéric Gros wisselt beschouwingen over aspecten van het wandelen af met korte biografieën van beroemde wandelaars. Zo is er de bergwandelaar Friedrich Nietzsche, die een vrij uitzicht nodig had om te kunnen denken. Bij Rimbaud was er sprake van woede en vluchtgedrag. Op zijn doodsbericht stond toepasselijk
“Geboren in Charleville, overleden op doorreis in Marseille’". Jean-Jacques Rousseau wandelde om de eerste mens in zichzelf te vinden, op de vlucht als hij was voor agressieve vijandigheid en babbelzieke broederschap. Voor de Amerikaan David Thoreau, een groot wandelaar in een land waar zich te voet verplaatsen uiterst verdacht is geworden, kent het wandelen slechts één richting: het Wilde Westen. Immanuel Kant zocht in de dagelijkse wandeling de rustgevende regelmaat, Gérard de Nerval de melancholie, en voor Ghandi was een protestwandeling een uiting van geweldloos verzet, verbonden met een ideaal van onthechting, mystiek en vrijheid. Wandelen verbindt tegengestelde types als de ongebonden Griekse cynische filosoof en de gelovige Middeleeuwse pelgrim. Maar altijd is er het idee van bevrijding uit het maatschappelijke keurslijf, de gevangenis van het bewustzijn en het lichamelijke immobilisme. Wandelen maakt nederig, confronteert ons met onze zwaartekracht en verzoent lichaam en ziel in een rustgevend ritme.

Frédéric Gros is een filosoof en een Fransman. Zijn voorbeelden zijn ruim gekozen maar overwegend Frans, al vindt hij de romantische dichter Wordsworth de eerste moderne wandelaar. Zijn taal is bij momenten bewogen en stimulerend, maar soms wat geëxalteerd. Het beeld van de wandelaar op zoek naar “een oeroude levensstroom” hoort wellicht bij een vermoeide Parijse professor die netwerkend op recepties de bevrijding van maatschappelijke dwang en ‘identiteit’ ophemelt. En soms wordt hij zéér opgewonden: “Zo zijn we een dier op twee poten dat voortgaat, niet meer dan zuivere kracht tussen de hoge bomen, niet meer dan een kreet. En je slaakt vaak een kreet onder het wandelen om blijk te geven van je herwonnen dierlijke bestaan.” Slaakt u ook vaak kreten als u wandelt? Ik in elk geval wel. Al zijn het ook wel eens inwendige kreten.

maandag, januari 15, 2018

Winterse plantenkracht

Wolfsmelk wordt hij genoemd. Stoere winterse kracht zoals hij daar glimmend staat op dat stort- en pisplekje in de Lespagnestraat  van Hastière. Om jaloers op te zijn, niet op dat onderkomen groeiplekje maar wel op zijn overlevingskracht. Deze kruisbladige wolfsmelk herinner ik mij vooral van veel vroeger uit de groentetuin van mijn ouders. Hij groeit graag op wat zwaardere verstoorde grond en omdat hij de reputatie had om mollen uit de tuin houden, werd hij gedoogd in de propere groententuintjes van vroeger.

Wolfsmelksoorten bevatten allemaal wit melksap dat enigszins giftig is, soms zelfs dodelijk giftig en daar heeft hij dan ook zijn naam wolfsmelk aan te danken. Melk zo gevaarlijk als een wolf.  Dat planten met wit, giftig en irriterend melksap ook in magische rituelen en heksenzalven gebruikt geweest zijn, hoeft ons niet te verwonderen. Giftig en opvallend sap heeft altijd tot de verbeelding gesproken.

De wolfsmelksoorten worden in het Latijn Euphorbia ge­noemd en volgens Plinius is deze naam afgeleid van Euphorbius, de lijfarts van koning Juba II, koning van Mauritanië die rond 50 voor Christus leefde. Deze arts nam al proeven met wolfsmelk om te zien op welke wijze deze plant in de geneeskunde gebruikt zou kunnen worden. Een andere verklaring voor de naam is dat deze een samenstelling is van de woorden eu = goed en pherbos = voeden. Het gedroogde melksap werd in vroeger eeuwen namelijk ook gebruikt ter genezing van tbc-patiënten Tot een tiental jaren geleden werd onder de naam eu-phorbium nog wel gedroogd melksap in de apotheek verkocht.

Dodonaeus vermeldt nog dat 'De goochelaars en bedriegers van bedelaars plegen hun aanzicht en ganse huid met dit sap te bestrijken om melaats of melaats te schijnen, maar wachten zich wel dat ze dat er niet lang op laten blijven'. Medelijden opwekken door er ziek of onderkomen uit te zien, helpt dat nu nog?







zaterdag, januari 13, 2018

Eindwerken en vogelmuur

Als voorbereiding op mijn betalende blog 'KruidMail', heb ik nog wat gerommeld in de eindwerken van mijn studenten van de opleiding herborist. Jammer toch dat deze werkjes nauwelijks bekend zijn. Het zou toch fijn zijn voor zowel de lezers als de schrijvers dat de kruidenwerkjes niet verborgen blijven in kartonnen dozen maar via de o zo makkelijke digitale netwerken verspreid worden.

Hierbij een willekeurige, kriskras te voorschijn komende eindwerken uit de oude en uit de nieuwe dozen: Theriak van Diane De Wit, Nepeta cataria en andere kattenkruiden van Marleen Aerts, De cacaoboom van Leen Engels, Vogelmuur van Ann Vanermen, Klassekruiden van Yves Vanhoebroeck, Magische planten en rituelen van Micheline Casteels, Wilde groenten van Rita Baele.........

Een recept voor een vogelmuurpesto uit een van de werkjes. Ook nu in januari is verse vogelmuur te vinden.

  • 50 gr verse vogelmuur
  • 1 eetlepel geroosterde pijnboompitten of andere zaden en noten
  • 1 teentje knoflook of probeer eens een daslookknolletje
  • 2 eetlepels olijfolie


Doe alles in een kom, maak het fijn met staafmixer of iets dergelijks. Te verorberen op een geroosterde boterham, bij deegwaren of bij tomaat-mozarella.

vrijdag, januari 05, 2018

Plantes médicinales, d'ici ou d'ailleurs

Inheemse planten, groeiend langs wegkanten en bosranden, zijn de eenvoudigste, de meest herkenbare, de handigste en de goedkoopste medicijnen voor de mens. Mijn verwondering en bewondering voor ‘gewone’ planten is groot. Hoe is het mogelijk dat zoiets vanzelfsprekend als een paardenbloem zo bijzonder kan zijn? En bijzonder is deze Taraxacum officinale toch wel. Het bijzondere van het gewone, het vertrouwde, is dat niet genezend op zich? Ook de groeikracht en aanpassingsvermogen van onze pisbloem, onze weegbree en onze brandnetel spreken tot de verbeelding, het zijn kwaliteiten die zeer nuttig zijn voor de plant zelf maar ook voor de mens en de mensheid.

Wat betreft voedingswaarde en geneeskracht krijgen deze planten ook steeds meer betekenis, zeker in deze tijd van het `steeds verder gaan zoeken'. Paardenbloem is toch zeker zo veel waard als Cats Claw, Una de Gato, Morinda, Kava-Kava, gojibes en andere tropische beroemdheden. Met alle respect voor deze eerbiedwaardige planten.

Om al deze redenen vind ik het boek 'Plantes médinales, d'ici ou d'ailleurs' van Michel Dubray' zeer interessant. De schrijver vergelijkt medicinaal een populaire tropische plant met een Europese plant. Zo vergelijkt hij Aloë met huislook, spirulina met brandnetel en de gojibes met de rozenbottel.

Les plantes médicinales exotiques détrônent nos plantes locales : l'aloès est préféré à la joubarbe, la baie de Goji au cynorrhodon, la spiruline à l'ortie... La mode a été au ginseng, au kawa-kawa, puis au yam, à l'argan, au rhodiola, et aujourd'hui la grenade ou le chia arrivent en force.

Chaque année apporte sa nouveauté que le consommateur s'empresse d'adopter avec enthousiasme. Et pourtant, hormis l'attrait de l'exotisme et la promesse d'une action rapide due à de fortes concentrations en principes actifs, cet engouement ne se justifie pas toujours d'un point de vue thérapeutique.

A travers l'étude comparative de 14 couples de plantes essentielles - une plante locale comparée à une plante exotique aux effets similaires -, Michel Dubray remet en question cette médication. Il rappelle que pour se soigner les hommes ont nécessairement utilisé les plantes avant de connaître les propriétés de leurs constituants. La nature, la saveur, l'odeur, la forme, la texture ont été autant de critères systématisés au fil du temps par les plus grands praticiens (Hippocrate, Galien, Paracelse) pour déterminer la valeur thérapeutique d'une plante.

S'il est fidèle à une certaine tradition, Michel Dubray est également imprégné des (re)découvertes les plus récentes. Il sait pertinemment que plus l'homme et la plante subissent des contraintes identiques (géophysiques, climatiques, etc), plus l'utilisation médicale de la plante sera efficace. Ainsi, pour un habitant de nos climats tempérés, la prêle devrait être préférée au bambou, la camomille au boldo, la sauge au soja.

L'auteur Michel Dubray
Herboriste, nutrithérapeute, formateur, fondateur de L'Univers des Simples et d'une école d'herboristerie (2014), Michel Dubray se bat pour une reconnaissance du métier d'herboriste et pour la réhabilitation de plantes indigènes. Il est l'auteur du Guide des contre-indications des principales plantes médicinales (Lucien Souny, 2010).

maandag, januari 01, 2018

Guido Gezelle over de berk


Point de vue in Bonsoy: berk en Maasvallei
 ‘k Groete u, wit als molkenroom,
in den bossche en achter strate,
‘s zomers, ‘s winters, vroeg of late,
     bleekgebolden berkenboom!

     Edeldrachtig houtgewas,
‘s zomers laat ge uw' teere takken,
hangend haarwijs, ommezwakken,
     of ‘t een spruitend water was.

     Lijzig door uw hoofdgewaai,
ruischt het dan, of, in uwe armen,
honge een' bende bie'n te zwarmen,
     rustloos, in den zonnelaai.

     ‘s Winterdaags, alhier aldaar,
om uw' blanken hals en rugge,
zwart gelijk een meuzievlugge,
     zwiert uw schudderachtig haar.

     Reuzen zijn de boomen dan,
die malkander, bloot van armen,
slingervuisten, dat men ‘t karmen
     heinde en verre hooren kan.

     Daar noch eek noch essche en wast,
hooge in ‘t noorden, hoore ik melden,
‘t land der skandinaafse helden,
     staat gij, rotse- en wortelvast.

     ‘s Scheemans roede en ‘s boden staf,
‘t heidensch recht- en vredeteeken,
esschen hout en was ‘t, noch eeken:
     ‘t was uw' berken borst, die ‘t gaf.

     "Berk," zoo hiet de noordsche B,
een der zestien ruinenstaven,
die, onroomsch, te weten gaven
     wat ons voorvolk dacht en dee.

     Schald, die wijsheid wist, hij nam,
eer hem pergamenten blâren,
of papier, berijmbaar waren,
     uwen bast, o berkenstam.

     ‘t Schamel daaglijksch-broodgenot
spaart de berk u, bezembinders.
"Spaart den berk, gij haat uw' kinders,"
     leert u, ouderen, ‘t Woord van God.

     Weg en woonstede opgefrischt,
maakt den berkmei torreveerdig:
morgen draagt men ‘t Hoogeerweerdig
     om den dorpe en... kermesse is ‘t!

     Daarom heffe ik, overwaar,
komende in den bossche u tegen,
of omtrent des Konings wegen,
     u den hoed, o berkelaar!

Guido Gezelle vertelde in zijn gedicht "Betula Alba" over het schrijven op de bast van berk in plaats van op papier en perkament. Zo vond in het middeleeuwse Noordwest-Rusland, rond de stad Novgorod, een levendige correspondentie plaats op stukjes berkenbast. Raadsels, liefdesbrieven en huwelijksaanzoeken werden in een nat stukje berkenbast gekrast. Het leken wel e-mails, of "b-mails" zoals de onderzoekers ze noemden.

Heel andere koek zijn de "Senior Rollen van het boeddhisme". Van deze berkenbastvellen wordt aangenomen dat ze ca. 2.000 jaar geleden geschreven zijn door monniken van het oude Gandhara (nu Noordwest-Pakistan). De manuscripten met de leer en poëzie van Boeddha werden in 1994 in prima conditie gevonden in Afghanistan, verstopt in aardewerken potten. Zulke potten werden meestal gebruikt voor het opslaan van voedsel of voor het plaatsen van kleine giften in het graf.